De e-timerregeling gaat er komen. Het kabinet zette hem op Prinsjesdag in de Miljoenennota: 14 procent bijtelling op een elektrische auto van vijf tot acht jaar oud, maximaal drie jaar per auto. Maar de regeling die het kabinet aankondigt is een andere dan die in de ambtelijke verkenning stond. Hij begint later, hij stopt alweer in 2032 en de prijsgrens van 65.000 euro is nergens meer te bekennen.

Bijgewerkt op 18 september 2026. Dit artikel verscheen op 11 september, vooruitlopend op Prinsjesdag, op basis van een ambtelijke verkenning. Het is nu bijgewerkt met de Miljoenennota 2027 en het pakket Belastingplan 2027. Wat er veranderde staat hieronder in een aparte tabel. Let op: niets hiervan is definitief zolang de Tweede en Eerste Kamer er niet over gestemd hebben.

Wat is de e-timerregeling?

De e-timerregeling is een bijtellingskorting voor zakelijk gereden elektrische auto’s die vijf tot acht jaar oud zijn. In plaats van de 22 procent die vanaf 2028 voor alle auto’s van de zaak geldt, betaalt de berijder 14 procent. Dat lage tarief geldt maximaal drie jaar per auto.

De regeling is bedacht om een probleem op te lossen dat de Nederlandse markt al jaren leegtrekt. Van de elektrische auto’s van vijf à zes jaar oud wordt 15 tot 20 procent geëxporteerd. Bij benzineauto’s is dat ongeveer 3 procent. Het zijn vrijwel allemaal ex-leaseauto’s die met fiscale korting zijn aangeschaft, precies op het moment dat het leasecontract en de bijtellingskorting van zestig maanden aflopen. Ze verdwijnen dus naar het buitenland op het moment dat ze voor de Nederlandse particulier interessant zouden kunnen worden.

Het idee: als een leaserijder een auto van vijf jaar oud aantrekkelijk genoeg vindt om nog drie jaar te rijden, blijft die auto hier. Daarna komt hij als achtjarige op de particuliere markt, verder afgeschreven en dus goedkoper.

Terzijde: in de kabinetsstukken heet het voorstel „greentimerregeling”. In de markt is de naam e-timerregeling blijven hangen. Wij houden die aan, omdat dat de term is waar mensen op zoeken.

Wat is er op Prinsjesdag veranderd?

De e-timer stond tot voor kort alleen in een ambtelijke verkenning: een stuk dat varianten afweegt en nadrukkelijk ruimte laat voor andere keuzes. Sinds 15 september staat hij in de Miljoenennota, als uitvoering van de motie Grinwis/Oosterhuis, met een eigen regel in het inkomstenkader. Dat is een wezenlijk verschil: er ligt nu geld voor gereserveerd.

Maar de vormgeving is onderweg veranderd.

Verkenning (juni 2026)Miljoenennota (september 2026)
Startjaar20282029 volgens de toelichting, 2028 volgens de kop erboven
Tarief14%, vanaf 2030 15%14%, vlak, geen verhoging genoemd
Leeftijd auto5 tot 8 jaar5 tot 8 jaar
Duur per automaximaal 3 jaarmaximaal 3 jaar
Prijsgrenscatalogusprijs onder €65.000niet genoemd
Einde regelingniet vastgelegdinstroom stopt na 2032, laatste auto’s uit in 2035
Budgettairtussen €103 mln derving en €80 mln opbrengst per jaaroplopend tot €50 mln derving in 2031

Bronnen: verkenning ministerie van Financiën (16 juni 2026) en Miljoenennota 2027, maatregel 27 in het overzicht lastenmaatregelen.

Wanneer gaat de e-timerregeling in?

Hier moeten we eerlijk zijn: dat is op dit moment niet met zekerheid te zeggen en dat komt door het kabinet zelf.

In de Miljoenennota staat de maatregel in de tabel als „Greentimerregeling per 2028”. In de toelichting eronder staat: „Per 2029 wordt een nieuwe korting in de bijtelling voor oudere elektrische auto’s geïntroduceerd.” De budgetreeks begint in 2028, maar dan nog met een plusje van 8 miljoen euro; de eerste echte derving valt in 2029. De meeste berichtgeving nam de kop over en schreef 2028. Wij houden het op 2029, omdat de toelichting en de budgetreeks elkaar daarin steunen.

Belangrijker nog: de e-timerregeling zit niet in het wetsvoorstel Belastingplan 2027. In de fiscale Prinsjesdagstukken die de autobelastingen behandelen komt hij niet voor. Het is een aangekondigde maatregel met gereserveerd geld, die nog in een later belastingplan moet worden uitgeschreven. Tot die tijd staat geen enkele voorwaarde in wetstekst.

De prijsgrens van 65.000 euro is verdwenen

Dit is de grootste inhoudelijke verandering en er is nauwelijks over geschreven.

De verkenning ging uit van een harde grens: alleen auto’s met een oorspronkelijke catalogusprijs onder 65.000 euro zouden meedoen. Het ministerie sloot het E-segment bewust uit, omdat die auto’s minder interessant zijn voor doorstroom naar particulieren. In de Miljoenennota staat die grens niet. Ook in de berichtgeving van Prinsjesdag komt hij nergens terug. Genoemd worden alleen het tarief, de leeftijd en de duur.

Dat betekent niet dat de grens definitief van tafel is. Het wetsvoorstel moet nog komen en een prijsplafond is een goedkope manier om een regeling te budgetteren. Maar zolang hij niet genoemd wordt, is de regeling zoals aangekondigd ruimer dan verwacht: dan valt een Porsche Taycan van zes jaar oud er net zo goed onder als een Peugeot e-208.

Wat die grens zou betekenen, hebben wij wel uitgerekend en dat blijft bruikbaar zodra het wetsvoorstel er is. Wij legden de grens langs onze eigen catalogus, over de bouwjaren 2020 tot en met 2023. Van de 272 uitvoeringen met een bekende catalogusprijs vielen er 171 binnen de grens en 101 erbuiten. Ruim een derde zou dus niet meedoen. En de grens loopt dwars door modelreeksen heen: het is niet genoeg om te weten welke auto je hebt, je moet weten welke uitvoering.

ModelUitvoeringCatalogusprijsBij een grens van €65.000
Tesla Model 3Performance (2020)€ 64.990erbinnen
Tesla Model YLong Range AWD (2021)€ 65.010erbuiten
BMW i4eDrive40 (2021)€ 62.992erbinnen
BMW i4M50 (2021)€ 76.786erbuiten
Mercedes EQA300 4MATIC (2021)€ 64.031erbinnen
Mercedes EQA350 4MATIC (2021)€ 66.935erbuiten

Catalogusprijzen uit de e-Automarkt-catalogus, bouwjaren 2020 tot en met 2023: de auto’s die in 2028 tussen de vijf en acht jaar oud zijn. Begint de regeling in 2029, dan schuift het cohort een jaar op naar bouwjaren 2021 tot en met 2024. Indicatief: doorslaggevend is de catalogusprijs die voor dat specifieke voertuig is geregistreerd.

Een Tesla Model Y uit 2021 zou er met tien euro buiten vallen. Een Model 3 uit 2020 er met tien euro binnen. Zo werkt een harde grens en daarom is het de moeite waard om te weten of hij terugkomt.

Wat levert het op?

Het ministerie rekende een auto uit het C-segment door, met een nieuwprijs van ongeveer 45.000 euro. Die som is gemaakt voor invoering in 2028; schuift de regeling naar 2029, dan schuiven de bedragen mee, maar de verhoudingen blijven staan.

Nieuwe EVE-timerVerschil
Berijder (netto bijtelling)€ 4.901€ 3.36131% lager
Werkgever (bruto kosten)€ 10.615€ 8.17823% lager
Zzp’er€ 10.155€ 7.21129% lager

Bedragen per jaar. Bron: verkenning ministerie van Financiën, C-segment 2028.

Voor de huidige youngtimerrijder is het beeld minder vrolijk. Die betaalt nu ongeveer 866 euro per jaar aan bijtelling. Met een e-timer wordt dat 3.361 euro. De auto is dan wel tien jaar nieuwer, maar de rekening gaat bijna vier keer over de kop.

Wat gebeurt er met de youngtimer?

Die vraag hoort erbij, want de e-timer is bedoeld als alternatief voor de youngtimerregeling. Ook daar is op Prinsjesdag iets veranderd en gunstiger dan gevreesd.

Vorig jaar werd aangekondigd dat de leeftijdsgrens per 2027 naar 25 jaar zou gaan. Dat gebeurt niet. De grens gaat per 1 januari 2027 naar 17 jaar en per 1 januari 2028 naar 20 jaar, niet naar 25. Ook dat is uitvoering van de motie Grinwis/Oosterhuis. De overgangsregeling voor youngtimers die in 2025 al ter beschikking waren gesteld wordt bovendien verlengd tot en met 2027.

Er rijden ongeveer 75.000 youngtimers, voor twee derde bij directeur-grootaandeelhouders en voor een derde bij zzp’ers. Voor die groep is de klap een stuk kleiner geworden en tegelijk is de e-timer als alternatief een jaar verder weg geschoven.

Waarom de korting kleiner is dan hij lijkt

Hier wordt het interessant en dit staat in de stukken van het ministerie zelf. De bijtelling gaat over de oorspronkelijke catalogusprijs. Elektrische auto’s zijn de afgelopen jaren flink goedkoper geworden. Een vijf jaar oude EV had dus vaak een hógere nieuwprijs dan een vergelijkbare auto die vandaag in de showroom staat.

Het ministerie becijfert dat de nominale catalogusprijs van een vijf jaar oude e-timer gemiddeld 8 tot 16 procent hoger ligt dan die van een vergelijkbare nieuwe EV. Daarmee verdampt een deel van het voordeel. Van de korting van 36 procent op papier blijft in de praktijk 25 tot 30 procent over.

Bij sommige modellen is het effect veel groter. Voor de Tesla Model 3 en Model Y, die in vijf jaar tijd ongeveer 20 procent goedkoper werden, blijft van die 36 procent nog maar 17 tot 19 procent over. Daar komt bij dat de actieradius van een vijf jaar oude EV ongeveer 15 procent lager ligt dan die van een nieuwe.

Het ministerie trekt daaruit zijn eigen conclusie en die is opvallend eerlijk: met 14 tot 15 procent bijtelling zal de groep die overstapt „naar verwachting beperkt” zijn.

Wat heeft het kabinet ervoor over?

Dat is de nuchterste manier om te zien hoe groot het kabinet deze regeling zelf inschat. In het inkomstenkader van de Miljoenennota staat de e-timer met deze reeks:

Jaar2028202920302031Structureel
Effect op de schatkist+€ 8 mln−€ 5 mln−€ 28 mln−€ 50 mln−€ 21 mln

Miljoenennota 2027, maatregel 27. Een min is een derving voor de schatkist.

Vijftig miljoen euro in het duurste jaar. De verkenning hield nog rekening met een derving die kon oplopen tot 103 miljoen euro, bij 64.500 tot 142.500 e-timers. De kabinetsraming ligt daar ruim onder. Dat wijst op een bescheiden verwachting: eerder tienduizenden auto’s dan honderdduizend en de regeling dooft weer uit voordat hij op stoom komt.

Het addertje voor de particuliere koper

En dan het punt dat in vrijwel geen enkele samenvatting terugkomt. De regeling wordt verkocht als een maatregel die de tweedehandsmarkt helpt. Op de lange termijn klopt dat ook: een auto van acht jaar oud is ongeveer 18 procent verder afgeschreven dan een auto van vijf jaar, wat op een nieuwprijs van 40.000 euro neerkomt op zo’n 7.000 euro verschil. Een auto die als vijfjarige 20.000 euro kost, kost als achtjarige nog 13.000 euro.

Maar let op wat er in de tussentijd gebeurt. Een auto die nu na vijf jaar op de particuliere markt komt, blijft met deze regeling drie jaar langer in het zakelijke circuit. Het ministerie schrijft het zelf op als nadeel: „Mogelijk duurt het langer voordat auto’s doorstromen naar de particuliere tweedehandsmarkt. Meer betaalbare EV’s komen wellicht pas 1 of 2 jaar later beschikbaar, waardoor particulieren mogelijk al een fossiele auto hebben aangeschaft in de tussentijd.”

Met een start in 2029 in plaats van 2028 verschuift dat effect gewoon een jaar mee. Wie in 2029 of 2030 een betaalbare gebruikte EV zoekt, krijgt te maken met een markt waaruit een deel van het aanbod tijdelijk is weggetrokken. Het voordeel komt pas daarna.

Er komt wel iets tegenover: de inruilregeling

In dezelfde stukken staat een maatregel die juist rechtstreeks op de particuliere tweedehandsmarkt is gericht en die is in de Prinsjesdagberichtgeving vrijwel onopgemerkt gebleven.

Het kabinet trekt 52,4 miljoen euro uit voor een inruilregeling voor oude fossiele brandstofauto’s. Het is een vervangingspremie voor huishoudens die een oude auto (emissieklasse euro-1 tot en met euro-4) laten slopen en daarvoor een tweedehands elektrische auto terugkopen. In de begroting van Infrastructuur en Waterstaat staat het doel onomwonden: „Zo wordt de tweedehandsmarkt voor elektrische auto’s gestimuleerd en wordt elektrisch rijden toegankelijker voor lagere inkomensgroepen.”

De regeling wordt versneld ingevoerd als onderdeel van het pakket tegen de hoge energieprijzen. De eerste uitbetalingen staan gepland voor begin 2027; de voorbereiding liep vertraging op, waardoor er 11,7 miljoen euro naar 2027 is doorgeschoven. Het geld loopt via het Klimaat- en energiefonds: 26 miljoen euro in 2027 en tweemaal 13,2 miljoen euro in 2028 en 2029.

Over de vormgeving is al meer bekend dan uit de begroting blijkt. In een Kamerbrief over mobiliteitsbeleid van 13 mei 2026 schrijft de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat dat de slooppremie alleen besteed mag worden aan een tweedehands EV, dat de regeling wordt toegespitst op de lagere en middeninkomens en dat wordt onderzocht of er een vorm van social leasing in meegenomen kan worden. In dezelfde brief staat het bedrag waar het Formule E-team op aanstuurt voor een subsidie op een tweedehands EV: ongeveer 2.000 euro per auto, net als destijds bij de SEPP. Dat bedrag is een advies, geen besluit en het ging daar over de bredere subsidievariant.

De start stond gepland voor het vierde kwartaal van 2026. Die is inmiddels verschoven: in de begroting van Infrastructuur en Waterstaat staat dat de voorbereiding vertraging opliep en dat de eerste uitbetalingen pas begin 2027 kunnen plaatsvinden. Wij houden de publicatie van de subsidieregeling in de gaten en werken dit artikel bij zodra bedragen en voorwaarden vaststaan.

Wat betekent dit als je nu een tweedehands EV zoekt?

Drie dingen zijn nu al bruikbaar.

Reken niet op een prijsdaling in 2029. Als de regeling doet wat ze moet doen, wordt het aanbod van vijf jaar oude EV’s in de eerste jaren juist krapper. De ruimere keuze komt pas als de eerste e-timers na drie jaar vrijkomen, dus richting 2032.

Houd de prijsgrens in de gaten. Nu is hij weg, maar hij kan in het wetsvoorstel terugkeren. Komt hij terug, dan kunnen twee vrijwel identieke auto’s aan verschillende kanten van de grens liggen, puur door de uitvoering. Dat beïnvloedt wat een zakelijke rijder bereid is te betalen en dus de restwaarde.

Kijk naar de accu, niet naar het bouwjaar. Bij een auto van vijf tot acht jaar oud is de staat van de batterij de bepalende factor in de waarde. Het ministerie noemt dat zelf als risico bij het oprekken van de leeftijdsgrens: de fabrieksgarantie op de accu loopt meestal na acht jaar of 160.000 kilometer af. Een onafhankelijk batterijcertificaat maakt het verschil tussen een gok en een onderbouwde keuze. Wat een gebruikte EV nu werkelijk kost om te rijden, lees je in onze maandelijkse EV-laadprijsindex.

Rijd je zakelijk en denk je na over 2027? Dan is de maatregel die je het eerst raakt niet de e-timer maar de heffing aan de andere kant: de pseudo-eindheffing op fossiele auto’s van de zaak, die op 1 januari 2027 ingaat.

Wat nog niet vaststaat

Bijna alles, op de richting na.

De Miljoenennota is een plan, geen wet. Alle maatregelen moeten nog door de Tweede en de Eerste Kamer. Voor de e-timer komt daar iets bij: hij staat niet eens in het wetsvoorstel van dit jaar, maar wordt pas in een later belastingplan uitgeschreven. Het startjaar is binnen één document tegenstrijdig (2028 boven de tabel, 2029 eronder). De prijsgrens is genoemd noch uitgesloten. Van het leeftijdsvenster van vijf tot acht jaar zijn in de verkenning ook varianten tot negen of tien jaar afgewogen.

Wat wél nieuw en hard is: er ligt budget voor gereserveerd, de regeling is teruggebracht tot 14 procent vlak en er staat nu een einddatum op. De instroom stopt na 2032 en de laatste auto’s lopen in 2035 uit de regeling.

Bronnen

Dit artikel wordt bijgewerkt zodra het wetsvoorstel er is. Het is geen fiscaal advies.