De les van Emden en Zwickau: te snel geschakeld

Volkswagen heeft publiekelijk toegegeven dat de rigide omschakeling van zijn fabrieken in Emden en Zwickau naar uitsluitend elektrische productie met de kennis van nu niet meer zou gebeuren. Productiechef Christian Vollmer noemt deze stap in gesprek met de Automobilwoche een leermoment. Het concern ging destijds uit van een veel snellere transformatie naar elektrische mobiliteit dan de markt uiteindelijk heeft laten zien.

Deze terugblik is opmerkelijk omdat het de spanning blootlegt waar elke traditionele autofabrikant mee worstelt: investeren in elektrificatie zonder bestaande productiecapaciteit voor verbrandingsmotoren voortijdig af te schrijven. Voor de Nederlandse markt is dit relevant omdat Volkswagen met merken als VW, Cupra en Skoda een dominante positie inneemt. Wanneer fabrieksstrategieën wijzigen, heeft dat direct gevolgen voor beschikbaarheid en levertijden van populaire modellen als de ID.3, ID.4 en de aanstaande ID.Polo.

Hoe VW-fabrieken nu wél flexibel worden ingericht

Regionaal directeur André Kleb schetst de nieuwe koers: fabrieken moeten zowel verbrandingsmotoren als elektrische auto's kunnen produceren. Het Spaanse Pamplona fungeert als voorbeeld. Daar kan de productie naar behoefte verschuiven tussen beide aandrijflijnen. Loopt de vraag naar elektrische modellen tijdelijk terug, dan worden meer verbranders gebouwd. Stijgt de interesse in EV's, dan draait de fabriek mee. Vollmer benoemt deze aanpasbaarheid expliciet als het grote voordeel van de locatie.

De implementatie verschilt per fabriek. Locaties met één productielijn blijven zolang mogelijk een gemengde lijn draaien totdat de elektrische transitie voltooid is. Hebben fabrieken meerdere lijnen, dan ontstaat de flexibiliteit binnen dezelfde muren. In Martorell worden op twee lijnen verbrandingsmotoren en plug-in hybrides geassembleerd. Een derde lijn is omgebouwd voor de elektrische VW ID.Polo en Cupra Raval. In Palmela komt de serieuze versie van de ID.Every1 op dezelfde lijn als de nieuwe T-Roc.

Spanje als EV-bolwerk: 600 miljoen euro bespaard

De Iberische schiereiland krijgt een centrale rol in Volkswagens elektrische kleinwagenstrategie. Vier modellen van de zogeheten Electric Urban Car Family worden er gebouwd: de VW ID.Polo, VW ID.Cross, Cupra Raval en Skoda Epiq. De betrokken merken werkten hierbij al vroeg samen in een gezamenlijk productteam en namen in Spanje zelf de beslissingen over fabrieksombouw en integratie in bestaande installaties.

Dit is een bewuste keuze om bestaande infrastructuur te benutten in plaats van nieuwe hallen neer te zetten. Vollmer quantificeert het voordeel: over de levensduur van de Electric Urban Car Family levert dit circa 600 miljoen euro besparing op. Bij de locatiekeuze speelden naast lagere fabriekskosten in Spanje ook de korte afstand tussen Pamplona en Martorell mee, plus lagere logistieke kosten en bestaande ervaring met A0-segmentvoertuigen. Vollmer benadrukt dat productiebeslissingen altijd een samenspel zijn van kosten, capaciteit en het tijdstip waarop modellen in productie gaan.

De platformstrategie ondersteunt deze efficiëntie. Bij de Electric Urban Car Family zijn varianten teruggebracht en worden deels identieke onderdelen in alle vier de modellen gebruikt. Dit drukt de materiaalkosten. De ID.Every1 in Palmela deelt grotendeels hetzelfde platform als deze vier modellen. Voor consumenten betekent dit dat Volkswagen schaalvoordelen probeert te behalen in een segment waar marges traditioneel smal zijn en concurrentie van goedkopere Chinese EV's toenemt.

Wolfsburg en Tsjechië volgen het flexibele voorbeeld

Ook het thuishonk in Wolfsburg krijgt de dubbele capaciteit. Op Montagelijn 1 wordt de Tiguan gecombineerd met de elektrische VW ID.3 Neo. Na de terugvoering van Golf-productie van vier naar twee lijnen moet een van de overgebleven lijnen deze flexibiliteit bieden. Het Tsjechische Mladá Boleslav kan eveneens een vergelijkbare productiemix realiseren.

Volkswagen hanteert daarbij een duidelijke drempel voor merkeigen fabrieken: bij een model of platform dat over de hele levenscyclus 250.000 tot 300.000 eenheden per jaar produceert, kan een merk-dedicated fabriek nog zinvol zijn. Daaronder worden modellen van verschillende merken flexibel onder één dak samengebracht. Dit is een interessante benchmark voor de industrie. Ter vergelijking: Tesla produceerde in 2023 wereldwijd ruim 1,8 miljoen voertuigen, voornamelijk op twee platformen. Volkswagens drempel suggereert dat traditionele fabrikanten met hun merkenportfolio's pas bij aanzienlijk lagere volumes efficiëntie kunnen behalen.

Voor Nederlandse lease- en particuliere kopers heeft deze strategiewijziging praktische implicaties. De flexibele aanpak kan leiden tot kortere levertijden wanneer vraag en aanbod beter op elkaar aansluiten. Tegelijkertijd betekent het dat Volkswagen niet langer rigide vasthoudt aan elektrische productiedoelen. Dit kan de beschikbaarheid van plug-in hybrides en efficiënte verbrandingsmodellen in de tussenfase verlengen. Of dit de transitie naar nulemissievoertuigen in Nederland versnelt of juist vertraagt, hangt af van hoe streng de CO2-normen van de EU en het Nederlandse belastingstelsel blijven.