EV-rijders in Nederland passen hun laadgedrag steeds vaker aan om energiekosten omlaag te brengen en het elektriciteitsnet te ontlasten. Dat blijkt uit het Nationaal Laadonderzoek 2026 van ElaadNL, een jaarlijkse enquête onder meer dan 2400 elektrische rijders naar hun laadervaring. Het onderzoek toont aan dat de bereidheid om mee te helpen met de energietransitie groot is, al blijft de praktijk op sommige vlakken achter.

Negen op tien thuisladers laden slim

Van alle EV-rijders laadt 76% thuis via een eigen aansluiting. Van deze groep past liefst 90% inmiddels slim laden toe. Dat wil zeggen dat zij bewust kiezen voor momenten waarop stroom goedkoper is, zoveel mogelijk gebruikmaken van zonnestroom of piekuren op het net vermijden.

Dit slimme laadgedrag wordt ondersteund door steeds meer technische mogelijkheden. De ontwikkelingen zijn opvallend:

  • 47% van de thuisladers heeft al een dynamisch energiecontract en nog eens 13% wil dat aanschaffen
  • 26% beschikt over een thuisbatterij en 37% overweegt dat
  • 11% gebruikt nu Verlengd Privaat Laden, waarbij stroom over de stoep van een buurman of buurvrouw wordt afgenomen
  • 31% ontvangt al een ERE-vergoeding voor het delen van laadcapaciteit en 23% wil overstappen op een ERE-geschikte laadpaal

Bijzonder is de groeiende belangstelling voor bidirectioneel laden. Daarbij kan de auto niet alleen stroom opnemen maar ook terugleveren aan het huishouden of het stroomnet. 24% van de thuisladers wil dit binnen een jaar gebruiken en 58% op langere termijn, zodra auto en laadpaal technisch geschikt zijn. Voor de energietransitie kan dit een belangrijk instrument worden, omdat miljarden EV-accu's als flexibele energieopslag kunnen dienen.

Bereidheid om het net te ontlasten is groot

EV-rijders tonen zich ver uit de lucht wat betreft hun maatschappelijke verantwoordelijkheid. 66% vermijdt bewust laden tijdens piekuren op het elektriciteitsnet. Desondanks maken zich veel rijders niet al te veel zorgen over netcongestie. 49% verwacht er weinig gevolgen van voor eigen laadmogelijkheden en 22% nauwelijks of geen gevolgen. Slechts 3% zegt ervan uit te gaan dat netproblemen hen zullen dwingen om bij de volgende auto toch voor een brandstofauto te kiezen.

Deze balans tussen bereidheid en zelfvertrouwen is positief voor de EV-markt. Het suggereert dat rijders hun gedrag willen aanpassen zonder daarbij tegen verzet aan te lopen. Tegelijk is dit een waarschuwing voor beleidsmakers: blijft het aanbod van flexibele laadopties achter, dan kan dit vertrouwen snel omslaan.

Hoge benzineprijzen blijven EV aantrekkelijker maken

De energiecrisis en hoge prijzen aan de pomp hebben geleid tot meer animo voor elektrisch rijden. 67% van de EV-rijders zegt dat deze factoren hun enthousiasme voor elektrische auto's hebben vergroot. Dit effect kan belangrijk zijn voor de komende jaren, wanneer de prijzen van elektrische auto's verder dalen en meer tweedehandsmodellen beschikbaar komen.

Prijstransparantie bij openbare laadpalen blijft grote wens

Waar EV-rijders aan de ene kant slim laden toepassen, stuiten zij aan de andere kant op grote onduidelijkheden. 43% van de EV-rijders weet vooraf nooit of meestal niet wat een laadsessie bij een openbare paal kost. Dit gebrek aan transparantie is een significant probleem, omdat het vertrouwen en acceptatie van openbaar laden ondermijnt.

De wensen zijn duidelijk:

  • 77% wil prijsinformatie op het display van de laadpaal zien
  • 70% wil prijzen ook in de laadapp kunnen aflezen
  • Veel rijders geven de voorkeur aan contactloos betalen en automatische identificatie boven QR-codes

Deze bevindingen zijn een wakker signaal voor netwerkbeheerders en laadstationexploitanten. De tijd van onduidelijke prijzen en omslachtige betaalmethodes loopt af. EV-rijders willen dezelfde gemaksnorm als bij tankstations of pinautomaten.

Bron

Dit artikel is gebaseerd op het Nationaal Laadonderzoek 2026, gepubliceerd door ElaadNL op 9 oktober 2026. Het onderzoek is een initiatief van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, ElaadNL en de Vereniging Elektrische Rijders. De Rijksuniversiteit Groningen was betrokken bij uitvoering en validatie.